Column


IT-jurist Peter van Schelven over...

Wet Computercriminaliteit en internationaal fatsoen

Stel, je wordt voor een forse verkeersovertreding op de A2 tot de orde geroepen door een verkeersagent van – zeg – het Nigeriaanse of Russische politiecorps. Je hebt weinig juridische kennis nodig om in te zien dat de politieman nul-komma-nul bevoegdheid heeft om op Nederlands grondgebied op te treden. Hetzelfde geldt uiteraard ook voor de Nederlandse politieman die – omgekeerd – op het grondgebied van Nigeria of Rusland bijvoorbeeld een computer in beslag zou willen nemen als hij achter een moordgevalletje aanzit. Dat laatste is niet zonder toestemming van de Russische of Nigeriaanse autoriteiten mogelijk.

Dergelijke beperkingen in de opsporing hangen eenvoudigweg samen met de soevereiniteit van staten, iets wat in het internationale recht een van de leidende beginselen is. De Nederlandse overheid behoort dus in principe met haar vingers af te blijven van spullen die zich in andere landen bevinden.

Wetsvoorstel Computercriminaliteit III
Deze internationale spelregel beschouwen we bij verkeersovertredingen en moordgevallen als vanzelfsprekend. Als het aan de Nederlandse regering ligt moeten we dit beginsel bij het aanpakken van cybercriminaliteit echter met een korreltje zout nemen, zo lijkt het. Dat kan worden opgemaakt uit het Wetsvoorstel Computercriminaliteit III, dat enkele dagen voor de kerst door staatssecretaris Dijkhoff namens de regering bij de Tweede Kamer is ingediend.

Verder lezen?

Log in en lees verder of maak hier uw persoonlijk profiel aan en ontvang als eerste het laatste securitynieuws. Speciaal voor u geselecteerd!

Dit veld is verplicht
Vul een geldige e-mailadres in
Dit veld is verplicht